Veilig in het verkeer
Verkeerslessen voor groep 1 t/m 8

Verkeer groep 7 · Les 1 · Oefenen voor het verkeersexamen

VERKEER · GROEP 7 · LES 1

Oefenen voor het verkeersexamen

Ben jij er klaar voor?

1 / 20
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsVerkeer+1BasisschoolISKGroep 1-8

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Introduction

Leerlingen van groep 7 bereiden zich voor op het theoretisch verkeersexamen van VVN. Ze leren hoe het examen werkt, pakken een examenvraag aan in drie stappen (wie ben jij, kijk rond, streep weg) en oefenen met zes examenvragen. Les 1 van groep 7 in de methode Veilig in het verkeer sluit aan bij SLO kerndoel 35.

Instructions

Benodigdheden:
  • Print voor iedere leerlingen het werkblas "Mijn examenvraag' uit.
Navigatie:
De pijltjestoets naar rechts is jouw navigatie in deze les. Deze activeert gifjes, laat tekst verschijnen en gaat door naar de volgende slide. Doorloop de les een keer in de Geef les-modus om te ervaren waar de activatie-momenten zitten.

Docentnotities
Bij elke slide staan het goede antwoord en een vraag om door te praten.

Worksheets

Items in this lesson

VERKEER · GROEP 7 · LES 1

Oefenen voor het verkeersexamen

Ben jij er klaar voor?

This item has no instructions

Dit ga je leren

  • Je kan uitleggen hoe het verkeersexamen werkt.

  • Je kan een examenvraag aanpakken in drie stappen.

  • Je kan in een tekening aanwijzen wie er eerst mag, en uitleggen waarom.

  • Je kan opnoemen wat voorgaat: de verkeersregelaar, het licht, de borden of de regels.

Lees de vier doelen samen voor. Vraag: wie heeft een broer of zus die het examen al gedaan heeft? Hoe ging dat?

Zo controleer je de doelen. Uitleggen hoe het examen werkt: slide 5. Een examenvraag aanpakken in drie stappen: slide 6 en de speurplaat (slide 7), daarna bij elke examenvraag.

Kom aan het eind van de les terug op deze slide: welk doel lukt al? Welk nog niet?

15

second

Heb jij de verkeerssituatie goed gezien?

  1. Heb je verkeersborden gezien? Welke waren dat?

  2. Waar lagen haaientanden?

  3. Heb jij voorrang op de beide auto's? Waarom wel of niet?
    En de andere fietser?

  4. Wat deed de voetganger?


Klik en kijk nog eens naar de verkeerssituatie. Wie mag er volgens jullie als eerste zijn weg vervolgen?

Net als bij het examen gaat het op deze slide om goed kijken. Hoe goed kunnen de leerlingen de verkeerssituatie inschatten en zien ze geen belangrijke aanwijzingen over het hoofd?


Opdracht: Geef je leerlingen 15 seconden om goed naar de verkeerssituatie te kijken. Zet de timer.

Klik: de plaat verdwijnt en de vragen verschijnen. Laat de kinderen eerst zelf (of met hun buurman of buurvrouw) opschrijven wat ze nog weten. Bespreek dan de vragen.

Klik nog een keer: de plaat komt terug. Wie had alles goed?

Antwoorden: het bord voorrang verlenen staat twee keer, bij de weg van links en bij de weg van rechts. Daar liggen ook de haaientanden. Er zijn twee fietsers: jij (onder) en een fietser met een groene jas (boven). De voetganger loopt over het zebrapad. Er wachten twee auto's, een blauwe en een rode.

Vraag: Waarom is goed kijken zo belangrijk bij het examen? Bij elke vraag hoort een foto of filmpje. Het antwoord zit vaak in een klein detail: een bord, haaientanden of een knipperlicht.

1

Helemaal klaar

2

Best wel

3

Een beetje

4

Nog helemaal niet

Hoe klaar voel jij je voor het examen?

Dit is een nulmeting en geeft jou inzicht hoe zeker de leerlingen zich voelen. Vraag door: Wat vinden jullie het lastigst? Voorrang, borden of de regels voor bijzondere straten?

Schrijf de antwoorden op het bord en oefen hier de komende tijd met de leerlingen mee.

Neem na een week of twee de poll nog een keer af. Heeft het oefenen geholpen?

Het verkeersexamen

Je doet het examen van Veilig Verkeer Nederland.

Je krijgt 25 vragen. Bij elke vraag hoort een foto of filmpje.

Geslaagd? Dan krijg je het verkeersdiploma.

Het theoretisch verkeersexamen van Veilig Verkeer Nederland (VVN) is voor groep 7 en wordt in het voorjaar afgenomen, meestal in maart (in 2027 op 22, 23 en 25 maart). Het bestaat uit 25 vragen, elk met een foto of een filmpje van een verkeerssituatie. Wie slaagt, krijgt het VVN Verkeersdiploma.

Vraag: hoe zou jij je voorbereiden? Thuis oefenen kan op examen.vvn.nl/oefenen.

Na het theoretisch examen volgt op veel scholen ook een praktisch examen op de fiets: daarover gaat les 2 voor groep 7.

Zo pak je een examenvraag aan

1. Wie ben jij?

Fietser, voetganger of passagier?

2. Kijk rond

Borden, strepen, lichten. Wie komt eraan?

3. Streep weg

Eerst wat zeker fout is. Dan kies je.

Drie stappen voor elke examenvraag.

Klik door en de tekst verschijnt onder de afbeeldingen.

Laat de kinderen ze hardop herhalen: wie ben ik, kijk rond, streep weg.

Stap 1, wie ben jij: lees de vraag goed, twee keer als dat nodig is. Ben jij fietser, voetganger of passagier? Met je fiets aan de hand ben je voetganger, en dan gelden andere regels.

Stap 2, kijk rond: kijk naar de hele foto, niet alleen naar het midden. Zie je borden, haaientanden, een zebrapad of een verkeerslicht? Wie komt er van links, van rechts, van voren en van achteren? Knippert er iemand?

Stap 3, streep weg: twijfel je? Streep eerst de antwoorden weg die zeker fout zijn. Vaak blijft er dan één over.

Op de volgende slide oefenen jullie de stappen samen op een speurplaat.

Wie gaat eerst: jij of de auto?

Klik op de hotspots.

Kijkplaat

Oefen de drie stappen die je zet bij een examenvraag.
De Wie gaat eerst, jij of de auto?

Stap 1: Wie ben jij?
Jij bent de fietser op het fietspad. Laat een kind op jou tikken.

Stap 2: Kijk rond.

Laat leerlingen om de beurt op de plaat klikken: rechts verschijnt een tekstvak. Nog een keer klikken haalt het weer weg. Je kunt klikken op jij, de blauwe auto, de rode oversteek, het bord fietspad en de scooter.

Stap 3: Streep weg en kies.

- De auto slaat af (knipperlicht rechts) en gaat over jouw fietspad. Wie afslaat, laat het verkeer op dezelfde weg dat rechtdoor gaat voorgaan. Jij gaat rechtdoor en moet dus voorrang krijgen van de auto.
- De scooter op de zijweg heeft haaientanden: die wacht op iedereen, ook op jou.
- Jij gaat rechtdoor op het fietspad naast de weg, dus jij mag eerst. De rode oversteek met witte blokjes laat zien dat jouw fietspad gewoon doorloopt. Er liggen geen haaientanden voor jou.

Belangrijk: voorrang krijg je, je neemt het niet. Kijk of de auto echt stopt en maak oogcontact met de bestuurder. Ziet de bestuurder jou wel? Daarover gaat de les over de dode hoek in groep 8.

STOP

Examentraining!

Zes vragen, net als bij het examen. Kijk naar de hele tekening.

Nu volgen zes examenvragen. Laat de kinderen bij elke vraag eerst de drie stappen doen: wie ben ik, kijk rond, streep weg. Pas daarna kiezen.

Tip: laat de leerlingen bij elke vraag ook zeggen waarom. Een goed antwoord met een goede reden is pas echt goed.

Een kruising zonder borden en zonder haaientanden.

Wie mag als eerste?

A

Jij

B

De fietser van rechts

C

De auto van links

De fietser van rechts mag als eerste. Op een kruising zonder borden en haaientanden gaat verkeer van rechts voor. Kijk voor elke weggebruiker: wie komt er van rechts?

De fietser met de groene jas heeft rechts van zich niemand: die mag als eerste. Jij hebt de fietser rechts van je, dus jij wacht. De auto heeft jou rechts van zich, dus de auto wacht op jou. De volgorde is dus: de fietser, dan jij, dan de auto.

Jij komt uit de uitrit en wilt rechtsaf.

Wie geef jij voorrang?

A

De voetganger en de auto

B

Alleen de auto

C

Niemand: ik kom van rechts

Je laat de voetganger en de auto voorgaan. Wie uit een uitrit komt, laat iedereen voorgaan: voetgangers op de stoep, fietsers en auto's op de weg. Dat geldt ook bij een parkeerplaats, een tankstation of een schoolplein.

Verwachte fout: "Ik kom van rechts, dus ik heb voorrang". Rechts gaat voor geldt alleen op een kruising. Een uitrit is geen kruising. De voetganger op de stoep wordt ook snel vergeten. Jij steekt eerst de stoep over, dus ook de voetganger laat jij voorgaan.

Er staat iemand te wachten bij het zebrapad. Wat doe jij?

A

Ik waarschuw door te bellen

B

Ik stop, de voetganger mag gaan

C

Ik heb voorrang en fiets dus door

Je stopt en laat de voetganger oversteken. Op het zebrapad gaan voetgangers voor, ook als ze nog op de stoep staan en duidelijk willen oversteken. Dat geldt voor fietsers en voor auto's: ook de rode auto stopt.

Verwachte fout: "ze staat nog op de stoep". Wacht iemand bij het zebrapad, dan stop je. Bellen geeft je geen voorrang.

Let op: wie met de fiets aan de hand over het zebrapad loopt, is voetganger en mag dus ook voor.

Mag jij deze straat in fietsen?

A

Alleen met de fiets aan de hand

B

Nee, niemand mag deze straat in

C

Ja, fietsers mogen hier rijden

Kijk eerst samen naar het bord in het vergrootglas. Rond met een rode rand betekent: verboden. Dit bord betekent: in te rijden verboden. De straat is een eenrichtingsweg; de blauwe auto rijdt de goede kant op.

Antwoord: Onder het bord hangt een onderbord met "uitgezonderd" en een fietsje. Een onderbord maakt het bord preciezer. Hier zegt het: het verbod geldt niet voor fietsers. Jij mag de straat dus in fietsen. Blijf wel goed rechts, want de auto's komen je tegemoet.

Verwachte fout: "nee, niemand mag erin". Wie alleen naar het grote bord kijkt, mist het onderbord. Daarom stap 2: kijk rond, ook naar de kleine dingen.

Je fietst in een fietsstraat. Achter je rijdt een auto. Wat klopt?

A

Auto's mogen hier niet rijden

B

Jij moet de auto voorrang geven

C

De auto past zich aan jou aan

Een fietsstraat herken je aan het rode asfalt en het bord fietsstraat, auto te gast. Fietsers zijn hier de belangrijkste weggebruikers.

Antwoord: De auto blijft achter je en haalt niet zomaar in. Auto's mogen wel in een fietsstraat rijden, maar ze zijn te gast: ze rijden rustig en passen zich aan de fietsers aan.

Verwachte fout: "auto's mogen hier niet rijden". Te gast betekent dat ze er wel mogen komen. Let op: de gewone voorrangsregels gelden in een fietsstraat gewoon. Ook hier gaat verkeer van rechts voor.

Het licht is groen. De verkeersregelaar steekt een hand op. Wat doe jij?

A

Ik rijd door: groen is groen.

B

Ik stop.

C

Ik rijd langzaam door.

Laat de leerlingen eerst voorspellen. Wie zegt doorrijden? Wie zegt stoppen? Waarom?

Antwoord: Je moet stoppen. Een verkeersregelaar of een politieagent gaat altijd voor het verkeerslicht. De verkeersregelaar ziet wat jij misschien niet ziet: hier rijdt de rode auto van links de kruising op.

Verwachte fout: "groen is groen". Bespreek: wie heeft dan het laatste woord? Dat zie je op de volgende slide.

1

👉 De gewone regels, zoals rechts gaat voor

2

🚦 Het verkeerslicht

3

👮 De verkeersregelaar of de politie

4

🔻 De borden en strepen, zoals haaientanden

Wat gaat voor? Zet het belangrijkste bovenaan.

Wie heeft het laatste woord? Laat de leerlingen de vier dingen op volgorde zetten: wat bovenaan staat, gaat voor. Laat ze uitleggen waarom ze voor die volgorde kiezen. Denk terug aan de vorige vraag: het licht was groen, maar de verkeersregelaar gaf stop.

Goede volgorde: 1. De verkeersregelaar of de politie. 2. Het verkeerslicht. 3. De borden en strepen op de weg, zoals haaientanden. 4. De gewone regels, zoals rechts gaat voor.

Wat hoger staat, gaat voor. Staat er een verkeerslicht dat het doet? Dan kijk je niet naar de haaientanden of naar rechts gaat voor. Is het licht uit of knippert het oranje? Dan gelden de borden en de haaientanden. Staat er niets? Dan gelden de gewone regels.

Verwachte fout: het verkeerslicht bovenaan zetten ("groen is groen"). Een verkeersregelaar ziet wat er op dat moment gebeurt, een lamp niet. Ezelsbruggetje: hoe meer iemand ziet van de situatie, hoe meer die te zeggen heeft.

Klopt het? Sleep elke zin naar het goede vak.

Klopt

Klopt niet



Zes zinnen over regels die vaak in het examen terugkomen. Laat kinderen om de beurt een zin slepen en hardop zeggen waarom.

Klopt:
- Met je fiets aan de hand ben je voetganger (dan mag je bijvoorbeeld over de stoep en voor op het zebrapad).

- Je mag met z'n tweeën naast elkaar fietsen, met z'n drieën niet.

Met twee naast elkaar mag, als je anderen niet hindert. Komt er iemand aan die wil inhalen, dan ga je achter elkaar.

- Op een erf rijdt iedereen stapvoets, zo langzaam als iemand loopt, ook jij op de fiets.

Klopt niet:

- Fietsen met je telefoon in je hand is verboden, ook als je hem alleen vasthoudt.

- Je arm uitsteken laat zien wat je gaat doen, maar het geeft je geen voorrang.

- Bij oranje licht stop je, tenzij je al zo dichtbij bent dat veilig stoppen niet meer kan.

Doe-opdracht: maak een examenvraag

  1. Kies met je groepje een lastige plek bij school of op je route.

  2. Maak een foto of een tekening van die plek.

  3. Bedenk een examenvraag met drie antwoorden. Eén is goed.

  4. Ruil met een ander groepje. Wie heeft alles goed?

Praktijkopdracht

Duur: Ongeveer 20 minuten

Voorbereiding:

- Werk in groepjes van drie of vier

- Print het werkblad "Mijn examenvraag".

- Laat elk groepje een plek kiezen die zij lastig vinden: een kruising zonder borden, een uitrit, een zebrapad, een rotonde of een plek waar auto's afslaan.

Aan de slag:

- De groepjes maken een foto (met begeleiding buiten) of een tekening van bovenaf, net als in deze les. Ze schrijven een vraag met drie antwoorden: één goed antwoord en twee foute antwoorden die echt lijken. Op de achterkant schrijven ze het goede antwoord en waarom.

- Maak met de klas jullie eigen oefenexamen. Verzamel alle vragen en maak er een quiz of schriftelijk examen van.

TIP: Willen je leerlingen oefenen met verkeersexamens? Dat kunnen ze thuis doen op examen.vvn.nl/oefenen.

Een auto slaat af over jouw fietspad en jij rijdt rechtdoor. Wie gaat eerst? Leg je antwoord uit.

Exit ticket bij het doel "aanwijzen wie er eerst mag en uitleggen waarom".

Goed antwoord: jij gaat eerst, want de auto slaat af en jij gaat rechtdoor op het fietspad. Wie afslaat, laat het verkeer dat rechtdoor gaat voorgaan. Een sterk antwoord noemt ook: kijk of de auto echt stopt en maak oogcontact.

Kijk welke kinderen het antwoord niet weten of geen reden geven: dat onderwerp herhaal je voor het examen. Kom ook terug op de leerdoelen (slide 2) en op de peiling van het begin.

Verkeerswoorden

het verkeersexamen - examen van VVN in groep 7: 25 vragen met een foto of filmpje

gelijkwaardige kruising - geen borden en geen haaientanden: verkeer van rechts gaat voor

de uitrit - weg uit een oprit, parkeerplaats of schoolplein: jij laat iedereen voorgaan

het onderbord - klein bord onder een bord, bijvoorbeeld 'uitgezonderd' met een fietsje

de fietsstraat - fietsers zijn de belangrijkste, de auto is te gast

de verkeersregelaar - gaat voor het verkeerslicht, de borden en de regels

This item has no instructions

VERKEER · GROEP 7

Goed gedaan!

De verkeerslessen van groep 7

L E S 1 · D E Z E L E S

Oefenen voor het verkeersexamen

L E S 2 

Mijn examenroute

Meer verkeerslessen voor groep 1 tot en met 8?

Ga naar Veilig in het verkeer.

Slotslide van groep 7, les 2: Mijn examenroute. Les 1, Oefenen voor het verkeersexamen, staat er licht bij; heb je die nog niet gegeven, dan kan dat nog. Onder de verwijzing is ruimte voor de link naar de kanaalstart van Veilig in het verkeer, met alle lessen voor groep 1 tot en met 8.